Hoe kan het toch dat je salaris volgend jaar stijgt, terwijl het nog maar zeer de vraag is of je er daadwerkelijk meer mee kunt kopen? In dit artikel gaat Frank Knopers in op het soms vergeten belang van zuiver geld, een neutrale maatstaf voor waarde die niet meebeweegt met politieke of monetaire willekeur.
Begin oktober waren we aanwezig bij een bijeenkomst van het Mises Instituut Nederland in de Beurs van Berlage in Amsterdam, een gebouw dat in 1903 in gebruik werd genomen en waar primair effectenhandel heeft plaatsgevonden. In dit gebouw vinden we een aantal opvallende decoraties, waaronder het volgende gedicht dat op de muur geschilderd staat, gemaakt door letterkundige en dichter Albert Verweij (1865-1937).
De tekst van deze inscriptie is geschreven in oudhollands en doet archaïsch aan, maar bevat een waarheid die moderner en relevanter is dan veel mensen beseffen. Het bevat een dieper inzicht in het belang van stabiel geld. Niet alleen voor handel, maar ook voor de samenleving als geheel. Hieronder ziet u een foto van één van de twee schilderingen, die samengevoegd het volgende kwatrijn vormen:
“Gewicht en maat wier norm een volk bewaart,
Slytloos metaal in dicht foedraal gesloten,
Zy ’t zuivre brein: zijn zuivre koers verklaart
Wat roerselskoers verkleinen of vergrooten.”
“Waar, die alle andre meet, het geld, en blaren
Wier waar, almaar ’t vertrouwen, daalt en ryst,
Schat die ’t gerucht én ’t werklyk schatbre pryst,
Symbool, soms vol, soms leeg, steeds vol gevaren.”

Wie deze regels interpreteert, ontdekt dat Verweij een fundamenteel inzicht vastlegde: een samenleving kan alleen functioneren wanneer zij haar maatstaven zuiver houdt. Gewicht en maat hebben daarom vaste normen. Een kilo is altijd een kilo, een meter altijd een meter. Ze zijn niet vatbaar voor politieke grillen of menselijke willekeur. Geld, het instrument dat de waarde van alle goederen en diensten meet, is in de loop van de tijd juist het meest veranderlijke, meest manipuleerbare en minst neutrale maatinstrument van onze samenleving geworden.
Dit is niet slechts een economisch, maar ook een maatschappelijk en cultureel probleem. Voormalig centraal bankier Wim Duisenberg (1935-2005) herinnerde ons eraan dat geld in zijn essentie een sociaal contract is. We accepteren iets dat in zichzelf geen waarde heeft — muntstukken, biljetten of een digitaal getal — enkel en alleen omdat we erop vertrouwen dat anderen het zullen aanvaarden in ruil voor hun arbeid en tijd. “Dit feit zegt op zichzelf al veel over het vertrouwen dat we leggen in het geld. En het zegt nog meer over het vertrouwen dat wij als mensen in elkaar hebben. Vandaar dat geld, in essentie, een sociaal contract is”, zo verklaarde Duisenberg in een toespraak uit 2002 die hij opdroeg aan de euro, destijds winnaar van de Internationale Karelsprijs van Aken.
Het vertrouwen in de waarde van geld is een belangrijk fundament van onze economische samenwerking. Maar wanneer de waardestandaard zelf onbetrouwbaar wordt, brokkelt dat fundament af. Een loonstijging van vijf procent zegt weinig als de koopkracht door inflatie met dezelfde snelheid weer wegsmelt. Een huis kan in euro’s in waarde verdubbelen, terwijl de waarde gemeten in goud al die tijd hetzelfde kan blijven. En de koersstijging van een aandeel of de waardestijging van een aandelenportefeuille kan in werkelijkheid slechts het gevolg zijn van inflatie. Wanneer de definitie van de waarde van geld aan inflatie onderhevig is, verschuift onze waarneming van waarde — en daarmee de basis waarop het sociale contract rust. Met andere woorden, instabiel geld vertroebelt ons zicht op de werkelijke waarde.
Sander Boon beschreef dit proces vanuit een dieper, antropologisch perspectief. Geld begon ooit als een ‘mentale balans’: een gedeeld systeem van wederkerigheid, vertrouwen en sociale structuur. In kleine gemeenschappen was geld geen extern object, maar een afspraak tussen mensen, een middel om de balans tussen geven en nemen te organiseren. Het stond dicht bij menselijke relaties. Naarmate samenlevingen complexer werden, werd deze mentale balans geëxternaliseerd naar fysieke objecten zoals munten en later papiergeld. Uiteindelijk evolueerde het tot een hypercomplex, schuld gedreven fiatgeldsysteem dat volledig losstaat van directe menselijke verbanden. Deze externalisering heeft geld getransformeerd van een sociaal verbindend middel tot een abstract, institutioneel systeem dat wordt gedomineerd door krediet, speculatie en hiërarchische machtsstructuren. Waar geld ooit een versterking van sociale cohesie was, is het nu meer een bron van ongelijkheid, financiële stress en sociale vervreemding geworden.
Deze vervreemding gaat verder dan de groeiende kloof tussen rijk en arm, het gaat ook over moraal. Dat werd misschien wel het scherpst verwoord door Ayn Rand in de beroemde “Money Speech” uit haar werk ‘Atlas Shrugged’ van 1957. Ze schrijft dat geld niet slechts een ruilmiddel is, maar de materiële uitdrukking van een moreel principe: het idee dat mensen die met elkaar handelen, vrijwillig waarde voor waarde ruilen. “Money is a tool of exchange,” schrijft Rand, “which can’t exist unless there are goods produced and men able to produce them.” Geld is, of zou moeten zijn, een erkenning van menselijke inspanning, creativiteit en productiviteit. Maar wanneer geld wordt losgekoppeld van een objectieve standaard, verandert het van een middel tot eerlijke ruil in een instrument dat waarde kan herverdelen. Rand waarschuwt dat een samenleving die geld als meetlat voor waarde vernietigt, daarmee ook de morele werkelijkheid vernietigt: “Whenever destroyers appear among men, they start by destroying money.” Papiergeld zonder vaste waarde is volgens haar niets anders dan een hypotheek op waarde die niet bestaat, een claim die gedragen moet worden door degenen die werkelijk produceren, maar wordt uitgedeeld door degenen die niet produceren.
Wanneer we deze inzichten samenbrengen, wordt duidelijk dat het probleem van onze tijd niet alleen inflatie of ongelijkheid is, maar het verlies van een objectieve waardestandaard. Zonder deze standaard wordt nominale economische groei verward met echte vooruitgang. Salarissen stijgen, maar de koopkracht daalt. Vermogen lijkt in euro’s of dollars gemeten toe te nemen, maar de werkelijke waarde van deze valuta neemt even snel af. De aandelenmarkt lijkt records te breken, maar de meetlat waarin we die waarde uitdrukken is aan erosie onderhevig. Zonder vaste norm vertroebelt de betekenis van prijzen, wordt speculeren beloond en sparen ontmoedigd. De economie verandert in een gokspel waarin niet productie, maar toegang tot krediet bepaalt wie rijk wordt. Dit principe staat bekend als het Cantillon effect, vernoemd naar de Franse econoom Richard Cantillon (1680-1734).
Boon laat zien hoe ons fiatgeldsysteem ook het kapitalisme zelf heeft vervormd. Het klassieke kapitalisme, gebaseerd op waardecreatie, innovatie en ondernemerschap, is ingeruild voor een systeem waarin schuld en speculatie centraal staan. De normalisering van lenen en de institutionele afhankelijkheid van krediet hebben geleid tot bubbels, economische instabiliteit en steeds hogere ongelijkheid. Mensen met toegang tot krediet profiteren, terwijl mensen die alleen arbeid kunnen aanbieden stelselmatig aan koopkracht inleveren. Dit vergroot de spanning in de samenleving en ondermijnt het vertrouwen in instituties en tussen burgers onderling.
De enige uitweg ligt in het herstel van neutraal geld — geld dat niet afhankelijk is van instituties, niet manipuleerbaar is door beleidsmakers, en dat zijn waarde ontleent aan schaarste en duurzaamheid in plaats van aan een politieke belofte. Historisch gezien heeft goud die rol vervuld, omdat het universeel, onverwoestbaar en wereldwijd geaccepteerd was en omdat het veel moeite kost om goud te delven. In onze tijd biedt Bitcoin een digitale variant met dezelfde eigenschappen: absolute schaarste, decentralisatie, voorspelbaarheid en immuniteit voor politieke ingrepen. Zowel goud als Bitcoin zijn objectieve standaarden die niet leunen op vertrouwen in instituties, maar op natuurwetten en cryptografische zekerheid. Ze worden om die redenen door miljoenen mensen wereldwijd geaccepteerd worden als iets van waarde.
Wanneer geld opnieuw wordt verankerd aan een vaste norm, herstellen we niet alleen het economisch fundament, maar ook het sociale en morele fundament van onze samenleving. De meetlat wordt weer betrouwbaar en waarde krijgt opnieuw betekenis. Het kwatrijn in de Beurs van Berlage waarschuwt ons dat een volk dat zijn normen verliest, uiteindelijk zijn kompas verliest.
De weg vooruit begint met een eenvoudige, maar tegelijkertijd ingrijpende stap: het terugbrengen van een objectieve waardestandaard die niet kan worden gemanipuleerd. Neutraal geld — in de vorm van goud, Bitcoin of een combinatie van beiden — biedt ons de sleutel tot economische zuiverheid, sociale cohesie en morele integriteit. Het is de norm “wier volk bewaart”. Zodra die norm terugkeert, kan de mens weer bouwen op vaste grond, en kan geld opnieuw dienen waarvoor het bedoeld was: het ondersteunen van menselijke relaties, wederkerigheid en waardecreatie, in plaats van het uitbuiten ervan.
Deze beweging zal van onderaf moeten plaatsvinden, omdat centrale banken en overheden belang hebben bij het in stand houden van de status quo. Wanneer meer mensen ontdekken dat ze met hetzelfde gemak in goud en Bitcoin kunnen sparen en met Bitcoin of stablecoins kunnen betalen, dan kan er werkelijk verandering plaatsvinden. Ieder individu kan hier op zijn eigen manier aan bijdragen. Zoals de Franse bisschop en filosoof Nicolas Oresme al in 1360 concludeerde, toen hij beargumenteerde dat geld niet toebehoort aan de staat, maar aan “de gemeenschap en aan al haar leden”.
Meer lezen van Frank Knopers (& Sander Boon)? Klik hier!
Kijk ook eens een keer op ons YouTube kanaal
Namens Holland Gold interviewen Paul Buitink en Yael Potjer verschillende economen en experts op macro-economisch gebied. Het doel van de podcast is om de kijker een beter beeld en houvast te bieden in een steeds sneller veranderend macro-economisch en monetair landschap. Klik hier om te abonneren.