Door de geschiedenis heen heeft geld verschillende vormen aangenomen, maar niet elke vorm wist zijn waarde te behouden. Geld verliest zijn waarde wanneer het eenvoudig kan worden gecreëerd of gemanipuleerd. Goud vormt hierin een bijzondere uitzondering. Door zijn natuurlijke schaarste en de energie die nodig is om het te produceren, heeft het door de eeuwen heen een centrale rol gespeeld binnen monetaire systemen. Wat maakt goud zo geschikt als geld en waarom faalden andere systemen?
Schaarste als fundament
Geld fungeert als een middel om waarde uit te ruilen, maar kan deze functie alleen vervullen wanneer het niet eenvoudig kan worden bijgemaakt. Wanneer geld zonder moeite kan worden geproduceerd, verliest het zijn geloofwaardigheid als ruilmiddel.
Een voorbeeld hiervan is het eiland Yap, waar grote stenen schijven in de vorm van een donut, de zogenoemde rai, als geld werden gebruikt. Deze stenen varieerden in grootte van enkele centimeters tot meerdere meters en werden gewonnen op het eiland Palau, meer dan 400 kilometer verderop. Het verkrijgen van deze stenen vergde aanzienlijke inspanning: inwoners moesten werk verrichten in ruil voor het recht om de stenen te hakken, waarna ze over grote afstanden per kano werden vervoerd.
Juist deze combinatie van schaarste en arbeid maakte de rai geschikt als geld. Generaties lang functioneerde dit systeem, totdat in 1871 de Ierse handelaar David O'Keefe op het eiland aanspoelde. In ruil voor kopra zou hij grote rai-stenen per schip vervoeren. Door gebruik te maken van moderne schepen kon hij de aanvoer van stenen sterk vergroten. Hierdoor nam het aantal rai op het eiland snel toe en verdween de schaarste die hun waarde bepaalde.
Waar een grote steen eerder extreem zeldzaam en een teken van rijkdom was, leidde de toename tot 13.281 stenen uiteindelijk tot hyperinflatie en waardeloos geld.
Decentraal en onmanipuleerbaar
Geld dat centraal wordt uitgegeven kan worden gemanipuleerd, waardoor het vertrouwen in het geld onder druk komt te staan. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de denarius, de zilveren munt van het Romeinse Rijk. Deze munt gold lange tijd als betrouwbaar betaalmiddel, maar naarmate het rijk groeide, namen ook de overheidsuitgaven toe.
Om deze uitgaven te financieren werden steeds meer munten geslagen. Omdat het door de schaarste moeilijk was om aan extra zilver te komen, kozen de keizers ervoor het zilvergehalte van de denarius geleidelijk te verlagen en te vervangen door minder waardevolle metalen zoals brons. Hierdoor nam de onderliggende waarde van de munt af, wat leidde tot geldontwaarding en stijgende prijzen.
Tegelijkertijd ontstond het effect dat bekendstaat als de wet van Gresham: mensen hielden de oudere, waardevollere munten vast en gaven juist de nieuwe, minder waardevolle munten uit. Hierdoor verdwenen de kwalitatief betere munten uit circulatie en werd het geldsysteem steeds sneller uitgehold.
De crisis van de derde eeuw versnelde dit proces. Door oplopende militaire uitgaven werd het zilvergehalte verder teruggebracht, totdat de denarius eind 260 uiteindelijk nog slechts circa 2,5% zilver bevatte en grotendeels uit koper bestond. Deze ontwaarding leidde tot hyperinflatie in de derde eeuw.
Zilverpercentage in Romeinse munten. (Bron: The Collector)
Schaarste en decentraliteit vormen de basis van vertrouwen in geld. Dit verklaart waarom goud door de geschiedenis heen zijn waarde beter wist te behouden dan veel andere vormen van geld. De totale hoeveelheid goud is beperkt: al het goud ter wereld past in een kubus van ongeveer 22 meter. Nieuw aanbod kan alleen worden toegevoegd via een intensief mijnbouwproces dat veel energie en arbeid vereist. Deze combinatie van schaarste en productiekosten maakt goud geschikt als ruilmiddel en waardeopslag.
Daarnaast is goud niet afhankelijk van een centrale partij. In tegenstelling tot munten waarvan het edelmetaalgehalte kan worden verlaagd, blijft een kilo goud altijd een kilo goud. Hierdoor kan de waarde niet eenvoudig worden uitgehold. Wanneer valuta gekoppeld zijn aan goud, zoals onder de goudstandaard, wordt de geldhoeveelheid beperkt door de beschikbare goudvoorraad. Dit legt discipline op aan overheden en maakt het moeilijker om grote hoeveelheden nieuw geld te creëren, waardoor geldontwaarding wordt beperkt en koopkracht beter behouden blijft.
Of geld een succesvol ruilmiddel is, hangt af van essentiële eigenschappen. Geld moet schaars zijn en niet eenvoudig kunnen worden gemanipuleerd om vertrouwen en waarde te behouden. Goud voldoet aan deze voorwaarden doordat de totale hoeveelheid beperkt is en nieuw aanbod alleen via een intensief productieproces kan worden toegevoegd.
Daarnaast is goud niet afhankelijk van een centrale partij, waardoor het niet eenvoudig kan worden aangepast of uitgehold. Juist deze eigenschappen maken het moeilijker om te manipuleren en leggen discipline op aan overheden. Dit verklaart waarom goud het fundamentele principe van waardevol geld representeert. Een principe dat ook vandaag, in een tijdperk van onbeperkte geldcreatie, actueler is dan ooit.
Kijk ook eens een keer op ons YouTube kanaal
Namens Holland Gold interviewen Paul Buitink en Yael Potjer verschillende economen en experts op macro-economisch gebied. Het doel van de podcast is om de kijker een beter beeld en houvast te bieden in een steeds sneller veranderend macro-economisch en monetair landschap. Klik hier om te abonneren.