Nieuw geld creëert winnaars en verliezers. Wie het als eerste ontvangt, kan nog tegen de oude prijzen kopen, terwijl anderen met hogere prijzen worden geconfronteerd voordat hun inkomen stijgt. Hoe werkt dit zogeheten Cantillon-effect en wat betekent het voor onze koopkracht?
Hoewel tegenwoordig de consensus geldt dat nieuw geld in een economie zorgt voor een proportionele prijsstijging en het dus een neutraal effect heeft, beweerde Cantillon dat het op bepaalde punten zijn intrede doet en daardoor een ongelijk effect heeft.
Stel je voor dat er in een stad goud- en zilvermijnen worden gevonden. Het vele goud en zilver wordt gemijnd. Net zoals eigenaren, ondernemers en werknemers van reguliere bedrijven profiteren van hogere winsten, gebeurt dat bij de personen bij de mijn ook. Dit extra geld komt via uitgaven of leningen in de economie terecht. In een economie waarin goud en zilver als geld worden gebruikt, zorgen de hogere winsten uit de mijnbouw dus voor extra bestedingen. Deze huishoudens gaan meer en luxer consumeren. Ze eten meer vlees, drinken meer wijn, kopen kleding van hogere kwaliteit en verfraaien hun huis. Als gevolg hiervan profiteren ook ambachtslieden zoals slagers, kleermakers en timmermannen. Zij krijgen meer werk en opdrachten dan voorheen en verhogen daardoor ook hun uitgaven.
Doordat deze personen extra consumeren blijft er minder wijn, kwaliteitskleding, vlees en diensten voor het verfraaien van de huizen over voor de rest van de samenleving. Het aanbod neemt dus af. Deze sterkere vraag dan normaal zorgt dan ook dat deze prijzen worden verhoogd. Doordat de prijzen stijgen, gaan bijvoorbeeld boeren extra land gebruiken om meer vlees of wol te produceren. Hierdoor maken zij extra winst en gaan ook zij meer uitgeven. De eerste ontvangers van nieuw geld kunnen deze goederen dus nog kopen tegen de oude prijzen, voordat de extra vraag de prijzen heeft opgedreven. Naarmate het nieuwe geld zich verder door de economie verspreidt, krijgen steeds meer mensen pas later toegang tot het geld, terwijl de prijzen al zijn gestegen. Uiteindelijk kan iemand daardoor minder nieuw geld ontvangen dan nodig is om de hogere prijzen bij te houden. Het wordt nu ook duidelijk waarom mensen ook nadeel hebben aan nieuw geld, mensen buiten of laat in deze keten krijgen pas later of niet het extra geld maar moeten wel nu al de hogere prijzen betalen. Hun aandeel in de consumptie van deze goederen nemen dan ook af.
Cantillon beschrijft dan ook dat personen met vaste contracten, zoals verhuurders en personen in loondienst, het zwaarst getroffen worden door deze extra consumptie en de daarmee gepaard gaande prijsstijgingen. Verhuurders kunnen bijvoorbeeld tijdens hun contract de huur niet veel veranderen, terwijl de kosten van verf of een loodgieter wel stijgen. Na afloop van het vaste huurcontract kunnen verhuurders de huur echter wel verhogen in lijn met de gestegen prijzen en zo alsnog profiteren. Doordat zij door de stijgende prijzen met hetzelfde inkomen minder kunnen consumeren, zullen verhuurders en personen in loondienst vervolgens gecompenseerd willen worden met hogere huren en lonen. Wanneer deze compensatie niet volledig plaatsvindt, kan een deel van hen ervoor kiezen om te emigreren en zich elders te vestigen. Doordat een deel van de bevolking vertrekt, kan er schaarste aan arbeid ontstaan, waardoor de lonen verder kunnen oplopen.
Het creëren van nieuw geld zorgt dus voor winnaars en verliezers. Dit is ook te zien tijdens het herstel van de covid-19 recessie. Businessnow meldde dat circa 20% van alle dollars die er ooit gecreëerd zijn, in 2020 werd bijgedrukt. Bedrijven die snel profiteerde van dit nieuwe geld herstelde snel terwijl de gedupeerde hiervan die laat in deze keten zitten achterblijven en het moeilijk hebben met hogere kosten. Het effect verschuift daarmee niet alleen inkomen, maar ook de vraag binnen de economie. Sectoren waar het nieuwe geld als eerste terechtkomt, krijgen extra vraag en kunnen daardoor sneller groeien.
K-Shaped economie, winners en verliezers.(bron: U.S. Chamber of commerce)
Cantillon beschreef dus dat dit effect ook onder hard geld kan optreden. Toch zijn de gevolgen van een andere schaal dan bij fiatgeld. De productie van goud en zilver kost namelijk veel tijd, arbeid en kapitaal. Van iedere kilo goud die wordt gewonnen, moet de mijnproducent eerst alle kosten dekken voordat er winst overblijft. Bij fiatgeld zijn de kosten van het creëren van nieuw geld daarentegen vrijwel nihil. Daarnaast zijn goud en zilver schaars: er komt jaarlijks slechts een beperkte hoeveelheid bij, terwijl er bij fiatgeld geen natuurlijke rem op de geldcreatie zit.
Nieuw geld creëert dus winnaars en verliezers en kan daarmee bijdragen aan een K-vormige economie. Wie als eerste bij het nieuwe geld staat, profiteert, terwijl spaarders, obligatiehouders, werknemers in loondienst en sectoren buiten de geldstroom achterblijven. Wie aan de winnende kant van de K wil staan, doet er daarom goed aan bezig te zijn met schaarse activa en sectoren die profiteren van nieuwe geldstromen. Want bij geldcreatie geldt uiteindelijk: wie het eerst komt, wie het eerst maalt.