Wereld heeft nieuwe ankervaluta nodig, maar is SDR de oplossing?

 

De wereldeconomie heeft een nieuwe ankervaluta nodig en de SDR zou deze rol kunnen vervullen. Dat schrijft econoom Wim Boonstra deze week in een analyse voor de Rabobank. Hij constateert dat de afhankelijkheid van de dollar namelijk steeds meer nadelen met zich meebrengt. Niet alleen voor de rest van de wereld, maar ook voor de Verenigde Staten. Daarom pleit Boonstra voor een heroverweging van de SDR, het valutamandje van het IMF. Met wat aanpassingen zou dit valutamandje de rol van de dollar kunnen overnemen als internationale handelsmunt. Maar is het echt zo eenvoudig?

'Exorbitant privilege'

Boonstra merkt in zijn analyse terecht op dat het hebben van de wereldreservemunt tegelijkertijd een vloek en een zegen is. Een zegen, omdat het land dat de wereldreservemunt uitgeeft de import van goederen in haar eigen munt kan afrekenen. Bovendien kan het land met een wereldreservemunt gemakkelijk haar tekorten financieren, omdat andere landen die valuta als reserve aanhouden. Een land dat de wereldreservemunt uitgeeft kan dus op structurele basis ver boven haar stand leven. De Franse president Charles de Gaulle noemde dit in de jaren zestig 'America's exorbitant privilege'.

Op korte termijn lijkt het hebben van de wereldreservemunt een zegen, maar op lange termijn worden ook de nadelen zichtbaar. Het land dat de wereldreservemunt heeft krijgt te maken met een kunstmatig hoge wisselkoers, omdat er wereldwijd veel meer vraag is naar deze valuta dan anders het geval zou zijn geweest.

Die hoge wisselkoers is gunstig voor de import, maar zeer ongunstig voor de export. Met andere woorden, bedrijven in het land met de wereldreservemunt kunnen steeds minder goed concurreren met het buitenland. Het gevolg is dat veel bedrijven hun productie naar het buitenland verplaatsen en dat de werkgelegenheid daardoor afneemt. Dit zorgt voor meer werkloosheid en onvrede in eigen land.

Is de SDR de oplossing?

Boonstra geeft een heldere analyse van het problematische karakter van een wereldreservemunt. Ook merkt hij terecht op dat een andere ankervaluta -zoals de euro of de Chinese yuan - dit fundamentele probleem niet oplost. Hij schrijft dat er geen enkele garantie is dat de EU en China betere hoeders van de mondiale stabiliteit zijn dan de VS. Daarover schrijft hij het volgende:

'Het fundamentele probleem dat de binnenlandse en buitenlandse rol met elkaar op gespannen voet kunnen staan, wordt door deze wijziging niet opgelost. Het probleem wordt alleen verschoven. Beter is het dan ook om over te gaan op een multipolair systeem, bestaande uit enkele grote valuta’s, met een neutrale valutamand als anker.'

Opvallend is dat Boonstra vervolgens de Special Drawing Rights (SDR) van het IMF aanwijst als mogelijke oplossing. Dit valutamandje van het IMF bestaat al sinds 1969 als aanvullende reserve naast de dollar, maar is nooit een succes geworden. Verschillende centrale banken houden weliswaar een positie aan in SDR, maar zelden voor meer dan een paar procent. En dat is begrijpelijk, want het valutamandje heeft een aantal grote tekortkomingen die een brede acceptatie in de weg staan.

Politiek draagvlak

Zo merkt de econoom van de Rabobank terecht op dat het IMF eerst moet worden hervormd, omdat het in haar huidige vorm geen goede weerspiegeling geeft van de hedendaagse economische en politieke machtsverhoudingen. Opkomende economieën als China en Rusland hebben naar verhouding vrij weinig inspraak, terwijl deze economieën de afgelopen decennia een veel groter marktaandeel hebben gekregen in de wereldeconomie. Daardoor is er in veel opkomende economieën nog steeds weinig draagvlak voor het gebruik van de SDR.

In 2016 werd de Chinese yuan weliswaar toegevoegd aan het mandje, maar dat was vooral een symbolisch besluit. Met een weging van 10,92% zou de Chinese yuan nog steeds geen grote rol vervullen. Bovendien heeft China als tweede grootste economie ter wereld de ambitie om juist haar eigen munt als internationale handelsmunt te promoten. Zo heeft de centrale bank de laatste jaren al met verschillende handelspartners valutaswaps ondertekend. En met succes, want ook de ECB en de Russische centrale bank hebben de yuan inmiddels opgenomen in hun reserves.

Wie bepaalt de koers?

Met een hervorming van het IMF en de oprichting van een apart bestuursorgaan zou het beheer van het valutamandje een stuk makkelijker moeten worden, zo schrijft Boonstra. Met een duidelijk mandaat, afspraken over de jaarlijkse geldgroei en periodieke verantwoording aan de voltallige IMF-vergadering zou de SDR een goed alternatief kunnen zijn voor het internationale betalingsverkeer.

In theorie klinkt dat aannemelijk, maar de praktijk is een stuk weerbarstiger. Het valutamandje van de SDR gaat voorbij aan het feit dat veel landen momenteel liever een eigen koers varen. Europa wil de internationale rol van de euro versterken, Rusland gebruikt op grote schaal euro's voor internationale handel en China heeft al plannen met een digitale yuan.

Een ander probleem is dat landen gezamenlijk moeten bepalen welke valuta er in het mandje moeten komen en welke weging deze vervolgens moeten krijgen. Zowel in letterlijke als figuurlijke zin is het dus lastig om de koers van de SDR te bepalen. Dat kan alleen als de urgentie groot is, zoals met Bretton Woods in 1944 wel het geval was. Het lijkt erop dat de wereld momenteel nog niet klaar is voor een internationale munt in het keurslijf van het IMF.

Wat zijn de alternatieven?

De Amerikaanse dollar is steeds de belangrijkste internationale valuta, maar dat komt vooral door gebrek aan een beter alternatief. Ook heeft de dollar decennia lang het monopolie gehad, want het Europese antwoord kwam pas in 1999. De euro heeft zich bewezen als een bruikbaar alternatief, maar mist een solide en omvangrijke kapitaalmarkt. Een Griekse of Portugese staatslening is nou eenmaal niet zo veilig als een Duitse. De Chinese yuan is op haar beurt nog steeds niet volledig vrij verhandelbaar.

En wat te denken van goud? Boonstra merkt terecht op dat er een tijd was waarin goud de internationale ankervaluta was. Goud was het referentiepunt van waarde tussen grofweg 1873 en 1914. In deze periode was er veel voorspoed en kwam de eerste golf van globalisering op gang. Goud zorgde voor stabiliteit, maar kon die rol niet meer vervullen toen landen geld nodig hadden om de oorlog te financieren. De koppeling tussen geld en goud liet dat simpelweg niet toe.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn er in Europa pogingen ondernomen om goud terug te brengen in het monetaire systeem, maar de verleidingen van het dollarsysteem met een overvloed aan krediet bleken te groot. Met de introductie van een termijnmarkt voor goud in 1973 werd het edelmetaal uiteindelijk in de rol van grondstof geduwd.

Tegen de huidige goudprijs is het vrijwel onmogelijk om goudvoorraden te mobiliseren en te gebruiken als internationaal betaalmiddel. Daarvoor is een veel hogere goudprijs nodig. Het is daarom opvallend om te constateren dat centrale banken sinds de financiële crisis van 2008 weer op grote schaal goud kopen. Is de rol van goud dan toch niet uitgespeeld?

Frank Knopers

Deze bijdrage is afkomstig van Geotrendlines